» » » Brief van de maand – december 2018

Brief van de maand – december 2018

Geplaatst in: Nieuws | 0

Kerstverhaal voor jong en oud.

 

Graag wil ik je mijn verhaal vertellen. Ik ben een ster. Ik ben al heel oud en heb heel veel meegemaakt. Zo was ik het die mocht stralen boven een stalletje in Bethlehem. Dat was zo bijzonder.

Maar ik zal eerst iets over mezelf vertellen. Ik zei het al, ik ben heel oud. Ik ben bijna net zo oud als de schepping van deze wereld.

In het allereerste begin was er bijna niks. Ik was er ook nog niet. Er was alleen deze wereld en God met zijn Geest. God vond de aarde toen niet mooi. Hij besloot om de aarde mooi te maken. Hij zei dat er licht moest komen. Zo zorgde hij voor de dag en de nacht. Daarna maakte Hij de hemel en de aarde. En hij scheidde het water en het land. Op het land moesten er dieren wonen. En ook bloemen, planten en bomen. God werd er heel blij van; hij vond het zo mooi. Maar hij miste het licht aan de hemel. Daarom maakte Hij de zon en de maan en de sterren. Heel veel sterren. Daar was ik er een van.

Tot slot maakte God Adam en Eva. Toen was God echt blij. Zoals Hij de aarde had voorgesteld, zo was de aarde geworden. Zo mooi! Maar ja, Adam en Eva deden niet wat God had gezegd. Ze mochten van 1 boom niet eten. En ze deden het toch. God werd boos en verdrietig en zei tegen hen dat ze weg moesten van die mooie plek. Dat was hun straf. Ook zei Hij dat ze voortaan hard moeten werken voor hun eten.

Maar ik zag dat God er ook verdriet om had en daarom bleef Hij toch voor de mensen zorgen. Alleen de mensen luisterden elke keer weer niet naar God. Toen werd Abraham geboren. En met Abraham wilde God het weer proberen. God wilde met hem een verbond sluiten. Hij beloofde Abraham voor hem en zijn familie te zorgen. Want hij zou een groot nageslacht krijgen, zoveel als er sterren zijn. Ik kan je zeggen, dat zijn er ontelbaar veel.

Abraham geloofde het niet, want hij was al oud en had nog geen kind. Hoe kon God dat nou zeggen? Maar Abraham kreeg inderdaad een zoon, Isaak, en Isaak kreeg ook kinderen, waaronder Jakob. En Jakob kreeg weer 12 zonen. En zo werd het nageslacht van Abraham steeds groter. God noemde hen het volk Israël, het volk van Gods belofte.

Toen kwam er honger. Er was niets meer te eten. Het volk van Israël trok naar Egypte. Daar was wel te eten. Er was zoveel te eten dat het daar in Egypte heel goed met hen ging, er werden heel veel kinderen geboren. Zo goed dat de Egyptenaren bang werden voor hen. Het werden er wel heel veel! Ze maakten slaven van hen. Dat maakte het volk van Israël verdrietig. Ik zag ze ’s nachts huilen van woede en verdriet. Ze wilden weg, terug naar het land waar ze vandaan kwamen. Terug naar Kanaän.

Ik zag ze gaan, door de woestijn. Overdag gaf de zon hen licht, en ’s nachts de maan en de sterren. Ik ook, ik probeerde hen heel veel licht te geven. Want het was toen niet makkelijk voor hen. Ze hadden dan weer honger, dan weer dorst. Hoe lang moesten ze nog reizen?

Na 40 lange jaren kwamen ze aan in Kanaän. Daar gingen ze wonen. Ze werden groter en machtiger. Ze wilden daarom een koning, net als de volkeren in de landen om hen heen. En ze kregen een koning. Eerst Saul, daarna David en toen Salomo. Onder koning David was het goed. Het was een hele mooie tijd.

Salomo volgde David op. Hij was wijs en heel rijk. Hij bouwde mooie paleizen. Zo mooi en met zoveel lichtjes dat mijn licht bijna niet meer te zien was. Maar Salomo was ook een beetje eigenwijs. Hij luisterde niet meer zo goed naar God; hij ging zijn eigen gang. En dat was niet slim. Want met zijn koninkrijk ging het toen ook niet meer goed. Vijanden kwamen en die namen de mensen mee. Die grote familie van Abraham, ze werden weggevoerd naar een ander en vreemd land. Dit was een moeilijke en donkere tijd.

Na vele jaren kon het volk weer terug keren naar hun eigen land. Ze konden zelfs weer de tempel, het huis van God, opbouwen. Het zag er goed voor hen uit; er was weer rust en vrede in het land. Maar helaas, weer kwam er oorlog. Er kwamen weer andere heersers in het land Israël. Ook zij gingen de kinderen van God onderdrukken. Het leven was zo moeilijk en zo zwaar. De mensen zuchtten en hadden verdriet. Er was geen sprankje licht en hoop meer te vinden. Hoe moest dat nou?

God zag dat zijn volk het zwaar had en moest denken aan het begin van Zijn schepping. Toen hij alles zo mooi had gemaakt. Toen hij zei dat er licht moest komen. Nu vond God dat er weer licht moest komen. Maar een ander licht, Licht met een hoofdletter. Zoals het licht schijnt in de duisternis, zo moest ook dit Licht licht brengen in moeilijke tijden.

God wilde dat niet doen met geweld, door oorlog te voeren met de mensen die zijn volk onderdrukken. Hij wilde het Licht brengen met liefde. En daar koos hij een meisje voor uit, Maria. Zij zou een kindje krijgen, klein en kwetsbaar, maar wel zo sterk als het licht.

Ik zag Maria eerst schrikken toen zij dit hoorde, maar later was ze blij, voelde ze zich vereerd. Ze vertelde het haar verloofde Jozef. Samen gingen ze ervoor!

En na 9 maanden was het zover. Jozef en Maria waren toen op reis en omdat er geen hotelkamer voor hen was, moesten ze overnachten in een stal. En in die stal is dat kindje geboren. En ik was erbij. Mijn licht scheen precies op die stal.

In die donkere nacht werd Jezus geboren. Daarna is er nog heel veel gebeurd, mooie en verdrietige dingen.

Maar die nacht in Bethlehem, dat was voor mij wel het allermooiste moment. Ik denk er nog vaak aan terug en ik wens, ik bid dat het Licht weer mag gaan schijnen. Dat er overal vrede mag zijn, en nooit meer duisternis.

En ik zou het zo mooi vinden dat jij, net als ik, je licht laat stralen in deze wereld als teken van die hoop en als teken van Gods liefde.

 

Ik wens je hele fijne en Lichte feest­dagen toe!

 

Henriëtta van Gosliga